|
|
|
|
|
|
| Geschiedenis der Leonbergers | |
|
De Leonbergse hond mag dan officieel te
boek staan als Duits ras, er bestaat daaraan zo langzamerhand gerede
twijfel. Er zijn namelijk nogal wat rassen op het Eurazische continent die
sterk op elkaar lijken: de Kaukasische herder, de Turkse Karabash, de
Joegoslavische Sar Planinac, de Portugese cao da Serra da Estrela. De een
wat dogachtiger in zijn ontwikkeling,de ander wat meerherder. Het meest
waarschijnlijk is de veronderstelling, dat de gemeenschappelijke voorouder
ergens in Tibet woonde. Deze Tibetaanse oerdog (de mastiff of een nazaat
ervan) is vervolgens uitgewaaierd over het Eurazische continent.
Bergketens ~en daardoor weinig verkeer tussen de landen~ zorgden vooreen
gescheiden ontwikkeling. Die leidde op haar beurt tot verschillende
rassen.
Aannemelijk is het, dat de Leonbergse wethouder Essig in 1846 het
ras eigenlijk heeft teruggefokt. Met als basis hoogstwaarschijnlijk een
Alpenhond,die dan weer zijn wortels in Tibet en omstreken vond. Het
fokmateriaal van Essig (Landseer, Sint Bernard en Pyrenese Berghond) kan
namelijk naar de stellige overtuiging van menig erfelijkheidsdeskundige
nooit hebben geleid tot een Leonberger. In ieder geval niet binnen de
luttele jaren die Essig ervoor nodig had! Steun is daarvoor te vinden in
Leon E. Whitne. Na de dood van Essig in diens kennel geen
enkele hond werd aangetroffen, die voor de fokkerij geschikt was.
Strebel spreekt in zijn Die deutschen Hunde (1905) van Leonhardiner. Een
benaming die Essig overigens ook vaak hanteerde.
We zullen het nooit zeker weten, want veel materiaal zoals schilderijen
van ver vóór 1846 met Leonbergers (of Alpenhonden?) erop en dagboeken van de
prinsen van Metternich zijn verloren gegaan in de diverse oorlogen.
Bronvermelding: Ton Muller, "Het
houden van een Leonberger"
|
|